VANL-TCW geeft weidevogel toekomst

 

De extra inspanningen zijn nodig. Sinds de jaren 90 zijn belangrijke weidevogels zoals de grutto, de kievit, de slobeend, de scholekster en de tureluur met ongeveer de helft afgenomen. De VANL-TCW wil daar met de plasdraspercelen verandering in brengen.  Voorjaar nam de familie Straver in Rijswijk de eerste plasdraspomp/zonnepomp in bedrijf.

De Vereniging Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Tieler- en Culemborgerwaarden (VANL-TCW)  is aangesloten bij de Collectief Rivierengebied. Het collectief zet zich actief in voor een beter leefgebied voor de weidevogels in rivierengebied. VANL-TCW is al vele jaren actief betrokken bij het weidevogelbeheer. Met zijn eerste plas-drasgebied in de regio hoopt hij andere agrarische bedrijven te inspireren tot een beter weidevogelbeheer.

Belangrijke aantallen weidevogels komen voor in agrarisch beheerde graslanden. Hierbij gaat het zowel om de minder als de meer kritische soorten. Nederland is hierbij vooral van belang voor de grutto. In tegenstelling tot graslanden die in beheer zin bij terreinbeherende organisaties, hebben de agrarisch beheerde graslanden veelal in eerste instantie een productiefunctie.

In een natuurbeheerplan zijn gebieden aangewezen waar weidevogelbeheer mogelijk is. Als de agrarische sector voor een vergoeding voor weidevogelbeheer in aanmerking wilt komen is deelname aan een beheerplan vereist. In dit beheerplan is een gezamenlijke aanpak tussen agrariërs, evt. tezamen met terreinbeheerders, ten aanzien van het weidevogelbeheer vastgelegd. Door deze gezamenlijke aanpak op planmatige wijze uit te voeren vindt een uitgekiend beheer plaats en wordt de effectiviteit van beheersmaatregelen verhoogd. Dit beheer moet leiden tot een aantrekkelijk vestigingsbiotoop, een rustperiode om te broeden en voldoende kuikenland om de kuikens op te laten groeien. 

 

De agrarische sector kan een aantal maatregelen treffen om het weidevogelbestand te beschermen, nl:

  1. Een rustperiode in de nestfase waarin agrarische werkzaamheden niet zijn toegestaan.
  2. Legselbeheer om legsels te beschermen in percelen waar geen aangepast weidevogelbeheer plaatsvindt. Om de uitgekomen jonge weidevogels een goede overlevingskans te bieden.
  3. Kruidenrijk grasland. Dit beheertype dient om een voedselrijke situatie te creëren voor weidevogelkuikens in de vorm van bloemrijke graslanden die een grote aantrekkingskracht hebben op insecten. Deze percelen kennen een lage bemestingsgraad en een rustperiode.
  4. Extensieve beweiding waarin weidevogels zowel kunnen broeden als foerageren.
  5. Percelen in het voorjaar plasdras te zetten om daarmee weidevogels aan te trekken.

Een collectief beheerplan bestaat uit een samenstelling van bovengenoemde beheertypen. Het uitkienen van een goed weidevogelmozaïek is hierbij van vitaal belang. Door het situeren van percelen met een rustperiode in de gebieden met de meeste legsels, het creëren van voedselgebied na afloop van de rustperiode, het beschermen van legsels op normaal beheerde percelen en het wegleiden van de jonge weidevogels naar gebieden met een goed voedselaanbod, kan een goede bijdrage aan verbetering van de weidevogelstand opgeleverd worden. Een collectief beheerplan wordt opgesteld en beheerd door een gebiedscoördinator/veldmedewerker, in ons gebied de coördinator van de Vereniging Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Tieler- en Culemborgerwaarden (VANL-TCW).